Over deze oefentoets
Opnieuw 8 zinnen met de tegenwoordige tijd, de verleden tijd, het voltooid deelwoord en het onvoltooid deelwoord door elkaar. Er staat geen label bij — gebruik de signaalwoorden in de zin. Twijfel je? Kijk dan nog eens naar het overzicht in oefentoets 1.
Gemengde tijden
Opdracht 1Bepaal steeds aan de hand van de zin zelf welke vorm nodig is.
1. Meestal (zijn) hij op tijd.
2. Op dit moment (werken) zij aan een nieuw project.
3. Toen ik acht was, (spelen) ik nog met poppen.
4. Vroeger (wonen) mijn opa in Friesland.
5. Wij hebben nog nooit zo hard (lachen).
6. Hij heeft het cadeau eindelijk (uitpakken).
7. (proesten) van het lachen kon ze niet meer stoppen.
8. Hij stond (geeuwen) in de rij te wachten.