Les 2 van 9 · Tegenwoordige tijd

De persoonsvorm

Vind de persoonsvorm door de zin vragend te maken.

Wat is de persoonsvorm?

De persoonsvorm (afgekort: PV) is het werkwoord in de zin dat zijn vorm aanpast aan het onderwerp. Verander je het onderwerp, dan verandert de persoonsvorm mee: ik loop → hij loopt → wij lopen.

Staan er meerdere werkwoorden in de zin? Dan is de persoonsvorm altijd het eerste werkwoord dat je tegenkomt. In Ik heb hem zien vallen is heb de persoonsvorm; zien en vallen zijn dat niet.

De vraagproef

De handigste manier om de persoonsvorm te vinden, is de zin vragend maken. Het werkwoord dat dan vooraan komt te staan, is de persoonsvorm.

  1. Is de zin nog geen vraag? Zet hem om in een ja/nee-vraag.
  2. Kijk welk werkwoord nu vooraan staat.
  3. Dat werkwoord is de persoonsvorm.

Voorbeeld: De wedstrijd begint om drie uur. Vragend gemaakt: Begint de wedstrijd om drie uur? Het woord begint is dus de persoonsvorm.

Belangrijk: dit werkt ook als de zin al een vraag is. Dan hoef je niets te veranderen — het eerste werkwoord dat je tegenkomt, is meteen de persoonsvorm. Let op, dat is niet altijd het allereerste woord van de zin: Waarom zwijgt iedereen ineens?

Waarom de persoonsvorm zo belangrijk is

Bijna alle regels voor werkwoordspelling in de tegenwoordige tijd draaien om de persoonsvorm: hoe je hem schrijft leer je verderop, bij het persoonsvormschema. Zonder de persoonsvorm te kunnen vinden, kun je die regels niet toepassen — daarom is deze les zo belangrijk.

Klik op de persoonsvorm

Opdracht 1

Klik in elke zin op de persoonsvorm. Maak de zin eventueel eerst in gedachten vragend.

1.Dehagelkletterdehardophetdak.

2.Julliehebbenvandaagveelgelukgehad.

3.Waaromhuiltdebabyzohard?

4.DeRijnstroomtbijLobithNederlandbinnen.

5.Kunjijmorgenopmijnhondpassen?

6.Eencactusheeftbijnageenwaternodig.

Hoe zeker voel je je over dit onderdeel?

Zet de zin vragend en schrijf de persoonsvorm op

Opdracht 2

Lees de zin en typ alleen de persoonsvorm in het invulvak.

1. De kaarsjes branden rustig op tafel. Persoonsvorm:

2. Pieter verzorgt deze week de cavia's. Persoonsvorm:

3. Een hunebed is eigenlijk een grafmonument. Persoonsvorm:

4. Iedereen staat al bij de startstreep. Persoonsvorm:

5. De spiegel weerkaatst het felle zonlicht. Persoonsvorm:

6. Wij hebben dat verhaal al eerder gehoord. Persoonsvorm:

Hoe zeker voel je je over dit onderdeel?