Even opfrissen: tegenwoordige en verleden tijd
De tegenwoordige tijd (TT) gebruik je voor iets dat nu gebeurt: ik fiets, hij speelt. De verleden tijd (VT) gebruik je voor iets dat al gebeurd is: ik fietste, hij speelde. In deze lessenreeks leer je hoe je de verleden tijd én het voltooid deelwoord (‘ik heb gefietst’) goed spelt.
Twee soorten werkwoorden
Nederlandse werkwoorden vallen in de verleden tijd in twee groepen uiteen, en voor elke groep geldt een andere spellingregel.
Zwakke werkwoorden
Bij zwakke werkwoorden verandert de klinker in de stam niet. Je herkent de verleden tijd doordat er een uitgang -te(n) of -de(n) achter de stam wordt geplakt: ik werk → ik werkte, ik leef → ik leefde. Welke van de twee uitgangen je gebruikt, leer je in de volgende lessen (de ’t kofschip-regel).
Sterke werkwoorden
Bij sterke werkwoorden verandert juist de klinker in de stam, zonder dat er een vaste uitgang bijkomt: ik loop → ik liep, ik zwem → ik zwom, ik geef → ik gaf.
Twijfel je of een werkwoord zwak of sterk is? Zeg de zin ‘Gisteren ... ik ...’ hardop met het werkwoord erin. Je hoort dan vaak vanzelf welke vorm klopt.
Hoe herken je het verschil?
Zet het werkwoord in de ik-vorm van de verleden tijd. Hoor je een -te of -de achteraan? Dan is het zwak. Verandert alleen de klank in het midden van het woord? Dan is het sterk.
Zwak of sterk?
Opdracht 1Bekijk de verleden tijd van het vetgedrukte werkwoord en bepaal of het zwak of sterk is.
1. Gisteren speelde ik de hele middag buiten.
2. Vorige week won ons team de finale.
3. Ik fietste gisteren tegen de wind in.
4. Hij at zijn bord in twee minuten leeg.
5. We wachtten een half uur op de bus.
6. Zij schreef een lange brief aan haar oma.
7. Het regende de hele dag door.
8. Ik vond mijn sleutels onder de bank.
Herken de tijd
Opdracht 2Typ TT (tegenwoordige tijd) of VT (verleden tijd) voor het vetgedrukte werkwoord.
1. Vorig jaar woonde ik nog in Groningen.
2. Elke dag drink ik een glas melk.
3. Vroeger speelden we buiten tot het donker werd.
4. Nu lijkt het probleem opgelost.