Weet je nog? Stam en ik-vorm
Bij de tegenwoordige tijd leerde je het verschil tussen de stam (het hele werkwoord min -en, een kale tussenstap) en de ik-vorm (de correct gespelde vorm die je echt gebruikt). Bijvoorbeeld: van geloven is de stam gelov, maar de ik-vorm is geloof. Je hebt beide vormen zo weer nodig.
Ik-vorm + -te(n) of ik-vorm + -de(n)?
Bij zwakke werkwoorden plak je in de verleden tijd -te(n) of -de(n) achter de ik-vorm. Welke van de twee je moet gebruiken, hangt af van de laatste letter van de stam.
De ezelsbrug ’t kofschip
Onthoud het rijtje letters in het woord ’t kofschip: t – k – o – f – s – c – h – i – p. Daarin zitten de medeklinkers t, k, f, s, ch, p. (Sommige boeken gebruiken een ander ezelsbruggetje met precies dezelfde medeklinkers — het maakt niet uit welke je onthoudt, zolang je de juiste letters te pakken hebt.)
- Bepaal de stam van het werkwoord (heel werkwoord min -en).
- Kijk naar de laatste letter van díe stam.
- Zit die letter in ’t kofschip (t, k, f, s, ch, p)? Schrijf dan -te(n) achter de ik-vorm.
- Zit die letter er niet in? Schrijf dan -de(n) achter de ik-vorm.
Voorbeeld: fietsen → stam fiets → laatste letter s → zit in ’t kofschip → ik-vorm fiets + te → ik fietste, wij fietsten.
Voorbeeld: huren → stam huur → laatste letter r → zit niet in ’t kofschip → ik-vorm huur + de → ik huurde, wij huurden.
Bij werkwoorden op -ven en -zen zijn de laatste letter van de stam en de laatste letter van de ik-vorm niet hetzelfde! Neem geloven: de stam is gelov (eindigt op v, niet in ’t kofschip), maar de ik-vorm is geloof (eindigt op f, wél in ’t kofschip). Voor de kofschip-regel kijk je naar de stam (v, dus niet in ’t kofschip): ik geloofde — niet ‘geloofte’, ook al eindigt de ik-vorm zelf op een kofschip-letter!
Het hele schema
| onderwerp | persoonsvorm |
|---|---|
| ik | fietste |
| jij / u | fietste |
| hij / zij / het | fietste |
| wij / jullie / zij | fietsten |
| onderwerp | persoonsvorm |
|---|---|
| ik | huurde |
| jij / u | huurde |
| hij / zij / het | huurde |
| wij / jullie / zij | huurden |
Kofschip of niet?
Opdracht 1Bepaal de stam en kijk naar de laatste letter: zit die in ’t kofschip (t, k, f, s, ch, p)?
1. wandelen → stam: wandel
2. koken → stam: kook
3. tikken → stam: tik
4. bellen → stam: bel
5. lachen → stam: lach
6. duwen → stam: duw
7. stoppen → stam: stop
8. reizen → stam: reiz
Zwakke werkwoorden in de verleden tijd
Opdracht 2Vul de juiste verleden tijd (ik-vorm + uitgang) van het werkwoord tussen haakjes in.
1. Ik (fietsen) gisteren helemaal naar het strand.
2. Ik (huren) vorige zomer een caravan.
3. Ik (koken) gisteravond voor het hele gezin.
4. Ik (leren) elke avond een half uur voor de toets.
5. Ik (geloven) je meteen.
6. Ik (reizen) vorig jaar door Portugal.
7. Ik (bellen) mijn oma om haar te feliciteren.