Les 4 van 6 · Verleden en voltooide tijd

Dubbele t en dubbele d

Als de stam zelf al op -t of -d eindigt.

Als de ik-vorm eindigt op -t

Neem praten: de stam is prat, maar de ik-vorm is praat (met dubbele a, want de klank is lang). Volg gewoon het stappenplan van de ’t kofschip-regel: je kijkt naar de laatste letter van de stam (t), die zit in ’t kofschip, dus je voegt -te(n) toe aan de ik-vorm. Omdat de ik-vorm zelf al op -t eindigt, ontstaat er een dubbele t.

praten → stam prat, ik-vorm praat → + te(n) → ik praatte, wij praatten

Let op

Dit ziet er anders uit dan bij de ‘gewone’ spellingregels die je van andere woorden kent (zoals gaten, maten). Bij werkwoorden gelden in de verleden tijd eigen regels — volg gewoon het stappenplan, dan komt de dubbele letter vanzelf goed.

Als de ik-vorm eindigt op -d

Neem melden: hier zijn de stam en de ik-vorm gelijk aan elkaar, namelijk meld. De laatste letter (d) zit niet in ’t kofschip, dus je voegt -de(n) toe aan de ik-vorm. Omdat de ik-vorm zelf al op -d eindigt, ontstaat er een dubbele d.

melden → stam en ik-vorm meld → + de(n) → ik meldde, wij meldden

Nog een voorbeeld

kleden (jezelf aankleden) → stam en ik-vorm kleed → + de(n) → hij kleedde zich, wij kleedden ons.

Schrijf de verleden tijd

Opdracht 1

Vul de juiste verleden tijd (ik-vorm + uitgang) van het werkwoord tussen haakjes in.

1. Ik (praten) urenlang met mijn beste vriendin.

2. Ik (melden) me meteen ziek bij school.

3. Ik (redden) net op tijd de kat uit de boom.

4. Ik (zetten) de vaas voorzichtig op tafel.

5. Ik (raden) driemaal naar het juiste antwoord.

6. Ik (haten) dat vak in het begin echt.

7. Ik (schaden) mijn eigen kansen door te laat te komen.

Hoe zeker voel je je over dit onderdeel?

Welke spelling is goed?

Opdracht 2

Kies de juist gespelde vorm.

1. A: Ik praate de hele avond met hem.   B: Ik praatte de hele avond met hem.

2. A: Hij meldde zich af voor de wedstrijd.   B: Hij melde zich af voor de wedstrijd.

3. A: Wij zetten de tafel keurig klaar.   B: Wij zeten de tafel keurig klaar.

4. A: Zij raadde het antwoord in één keer.   B: Zij raade het antwoord in één keer.

Hoe zeker voel je je over dit onderdeel?