Over deze oefentoets
Jij bepaalt zelf, aan de hand van de zin, of het om de tegenwoordige tijd, de verleden tijd, het voltooid deelwoord of het onvoltooid deelwoord gaat. Er staat geen label bij — net als in een echte tekst.
Hoe herken je welke tijd nodig is?
Let op signaalwoorden en op de rest van de zin:
Tegenwoordige tijd
nu, elke dag, altijd, meestal, op dit moment
Verleden tijd
gisteren, toen, vroeger, vorige week
Voltooid deelwoord
al, net, nooit — samen met heb/heeft/hebben of ben/is/zijn
Onvoltooid deelwoord
iets gebeurt tegelijk met de rest van de zin
20 zinnen, 4 tijden door elkaar
Opdracht 1Bepaal steeds aan de hand van de zin zelf welke vorm nodig is.
1. Nu (regenen) het niet meer.
2. Elke ochtend (drinken) ik een glas water.
3. Op dit moment (zijn) wij nog op school.
4. Meestal (fietsen) hij naar zijn werk.
5. Op dit moment (bakken) oma een taart.
6. Gisteren (lopen) ik een hele marathon.
7. Vorige week (zijn) we op vakantie.
8. Toen ik klein was, (wonen) ik in Almere.
9. Vroeger (spelen) de kinderen vaker buiten.
10. Gisteravond (praten) hij urenlang met zijn broer.
11. Ik heb dat boek al (lezen).
12. Zij is net (aankomen) op het station.
13. Wij hebben de tafel net (dekken).
14. Hij heeft zijn huiswerk al (maken).
15. Ik ben nog nooit in Parijs (zijn).
16. (zingen) liep ze door de tuin.
17. Hij kwam de klas (glimlachen) binnen.
18. (huilen) rende het jongetje naar zijn moeder.
19. De hond kwam (kwispelen) naar me toe.
20. (fluiten) liep hij naar huis.