Oefentoets 1 van 10 · Tijden door elkaar

Oefentoets 1

20 gemengde oefeningen met alle werkwoordstijden door elkaar.

Over deze oefentoets

Jij bepaalt zelf, aan de hand van de zin, of het om de tegenwoordige tijd, de verleden tijd, het voltooid deelwoord of het onvoltooid deelwoord gaat. Er staat geen label bij — net als in een echte tekst.

Hoe herken je welke tijd nodig is?

Let op signaalwoorden en op de rest van de zin:

Tegenwoordige tijd

nu, elke dag, altijd, meestal, op dit moment

Verleden tijd

gisteren, toen, vroeger, vorige week

Voltooid deelwoord

al, net, nooit — samen met heb/heeft/hebben of ben/is/zijn

Onvoltooid deelwoord

iets gebeurt tegelijk met de rest van de zin

20 zinnen, 4 tijden door elkaar

Opdracht 1

Bepaal steeds aan de hand van de zin zelf welke vorm nodig is.

1. Nu (regenen) het niet meer.

2. Elke ochtend (drinken) ik een glas water.

3. Op dit moment (zijn) wij nog op school.

4. Meestal (fietsen) hij naar zijn werk.

5. Op dit moment (bakken) oma een taart.

6. Gisteren (lopen) ik een hele marathon.

7. Vorige week (zijn) we op vakantie.

8. Toen ik klein was, (wonen) ik in Almere.

9. Vroeger (spelen) de kinderen vaker buiten.

10. Gisteravond (praten) hij urenlang met zijn broer.

11. Ik heb dat boek al (lezen).

12. Zij is net (aankomen) op het station.

13. Wij hebben de tafel net (dekken).

14. Hij heeft zijn huiswerk al (maken).

15. Ik ben nog nooit in Parijs (zijn).

16. (zingen) liep ze door de tuin.

17. Hij kwam de klas (glimlachen) binnen.

18. (huilen) rende het jongetje naar zijn moeder.

19. De hond kwam (kwispelen) naar me toe.

20. (fluiten) liep hij naar huis.

Hoe zeker voel je je over dit onderdeel?