Over welke werkwoorden gaat het?
De meeste sterke werkwoorden volgen tenminste het patroon ‘klinker verandert, meervoud krijgt -en’. Een klein aantal veelgebruikte werkwoorden wijkt daar nóg verder van af. Die werkwoorden — en hun voltooid deelwoord — leer je het beste gewoon uit je hoofd, want ze kom je overal tegen.
Overzicht om te leren
| hele werkwoord | verleden tijd | voltooid deelwoord |
|---|---|---|
| zijn | was / waren | geweest |
| hebben | had / hadden | gehad |
| gaan | ging / gingen | gegaan |
| doen | deed / deden | gedaan |
| komen | kwam / kwamen | gekomen |
| zien | zag / zagen | gezien |
| kunnen | kon / konden | gekund |
| zullen | zou / zouden | — |
| willen | wilde(n) / wou(den) | gewild |
| mogen | mocht(en) | gemogen |
| staan | stond(en) | gestaan |
| weten | wist(en) | geweten |
| brengen | bracht(en) | gebracht |
| denken | dacht(en) | gedacht |
| kopen | kocht(en) | gekocht |
| zoeken | zocht(en) | gezocht |
Hoe leer je dit het beste?
Lees veel: hoe vaker je deze vormen tegenkomt in boeken, teksten en gesprekken, hoe vertrouwder ze aanvoelen. Oefen daarnaast actief door zinnen hardop te maken met ‘gisteren’ en met ‘ik heb/ben...’, en herhaal de lastigste woorden regelmatig.
Verleden tijd van onregelmatige werkwoorden
Opdracht 1Vul de juiste verleden tijd (ik-vorm) in.
1. Vorig jaar (zijn) ik nog te jong voor deze film.
2. Gisteren (hebben) ik enorme honger na school.
3. Ik (gaan) meteen na school naar de training.
4. Ik (doen) gisteren al mijn huiswerk in één keer.
5. Ik (weten) meteen het juiste antwoord.
6. Ik (denken) dat de winkel al dicht was.
7. Ik (kopen) gisteren nieuwe voetbalschoenen.
Welk voltooid deelwoord is goed?
Opdracht 2Kies het juist gespelde voltooid deelwoord.
1. Ik ben nog nooit in Spanje A: geweest B: gewees.
2. Wij hebben lang naar onze sleutels A: gezocht B: gezoekt.
3. Zij heeft haar mening niet A: gedaan B: gedacht.
4. Hij is precies op tijd A: gekomen B: gekoomd.
5. Ik heb dat nog nooit A: gekund B: gekunt.