Het schema
Kijk naar hoe het werkwoord lopen (ik-vorm: loop) verandert, afhankelijk van het onderwerp:
| onderwerp | persoonsvorm |
|---|---|
| ik / …jij? | loop |
| jij … | loopt |
| hij / zij / het | loopt |
| wij / jullie / zij | lopen |
De rij ‘ik / …jij?’ betekent: dit geldt voor ik, maar ook voor jij als dat woordje ná de persoonsvorm komt te staan, zoals in een vraag (Loop jij mee?). Daar kom je in een latere les nog uitgebreid op terug.
De hoofdregel: ik-vorm + t
Uit dit schema kun je de belangrijkste regel van de hele tegenwoordige tijd halen:
Bij ik schrijf je de ik-vorm zonder extra letter. Bij jij (ervoor), u, hij, zij, het komt er een -t achter de ik-vorm. Bij een meervoudig onderwerp schrijf je het hele werkwoord.
- ik → de ik-vorm (geen extra letter)
- jij (ervoor) / u / hij / zij / het → ik-vorm + t
- wij / jullie / zij (meervoud) → het hele werkwoord
Nog een voorbeeld, met werken (ik-vorm: werk): ik werk, jij werkt, hij werkt, wij werken.
Waarom dit schema zo belangrijk is
Voor verreweg de meeste werkwoorden werkt deze regel altijd — áls je de ik-vorm maar goed hebt bepaald (zie de vorige les). Er zijn een paar bijzondere gevallen waarbij de ik-vorm zelf al op -t of -d eindigt, of bij werkwoorden op -ven/-zen en -aan. Die bijzondere gevallen leer je in de volgende les. Daarnaast zijn er een paar werkwoorden die het schema helemaal niet volgen, zoals hebben en zijn — die moet je uit je hoofd leren.
Vul het schema in
Opdracht 1Schrijf steeds de juiste persoonsvorm op.
1. werken — jij
2. tekenen — hij
3. lachen — wij
4. koken — ik
5. fluisteren — u
6. huren — zij (meervoud)
7. duwen — het (kastje) klem
8. oefenen — jullie
Welke vorm is goed?
Opdracht 2Kies steeds de juist gespelde zin.
1. A: Hij tekend een kaart. B: Hij tekent een kaart.
2. A: Wij zwemt in het meer. B: Wij zwemmen in het meer.
3. A: Ik loopt hard weg. B: Ik loop hard weg.
4. A: Zij (enkelvoud) fluister zachtjes. B: Zij fluistert zachtjes.
5. A: Jullie duwen de kar. B: Jullie duwt de kar.