De klinker verandert
Bij sterke werkwoorden hoor je in de verleden tijd een andere klinker dan in de tegenwoordige tijd: lopen → liep, zwemmen → zwom, geven → gaf, schrijven → schreef. Er is geen vast recept voor wélke klank het wordt — die vorm moet je eigenlijk gewoon kennen, vaak uit ervaring met lezen en luisteren.
De persoonsvorm van sterke werkwoorden
Heb je de juiste klank eenmaal te pakken, dan is de spelling van de persoonsvorm zelf verrassend eenvoudig:
- Bepaal eerst de juiste klank voor de verleden tijd (bijvoorbeeld liep, at, vond).
- Bij ik, jij, u, hij, zij, het: gebruik die vorm zonder extra uitgang.
- Bij wij, jullie, zij (meervoud): voeg er een -en achter toe.
Voorbeeld met lopen (verleden tijd: liep):
| onderwerp | persoonsvorm |
|---|---|
| ik | liep |
| jij / u | liep |
| hij / zij / het | liep |
| wij / jullie / zij | liepen |
Nog een voorbeeld met schrijven (verleden tijd: schreef):
| onderwerp | persoonsvorm |
|---|---|
| ik | schreef |
| jij / u | schreef |
| hij / zij / het | schreef |
| wij / jullie / zij | schreven |
Zelf de klank bepalen
Twijfel je over de juiste klank? Luister goed naar hoe de zin klinkt, of zoek het werkwoord op in een woordenlijst. Achterin veel taalmethodes en op internet vind je overzichten van sterke werkwoorden met hun verleden tijd en voltooid deelwoord — die kun je gebruiken als naslagwerk.
Zet om naar de verleden tijd
Opdracht 1Vul de juiste verleden tijd van het sterke werkwoord tussen haakjes in.
1. Gisteren (lopen) hij een hele marathon.
2. Wij (zingen) het hele nummer uit volle borst mee.
3. Ik (vinden) mijn portemonnee terug op straat.
4. Zij (drinken) haar thee helemaal op.
5. Jullie (kiezen) alle drie voor dezelfde film.
6. Hij (breken) per ongeluk zijn pols.
7. Wij (rijden) urenlang door de bergen.
Welke spelling is goed?
Opdracht 2Kies de juist gespelde vorm.
1. A: Wij zongt het hele lied mee. B: Wij zongen het hele lied mee.
2. A: Hij vond zijn jas terug. B: Hij vondt zijn jas terug.
3. A: Zij schreef een gedicht. B: Zij schreven een gedicht.
4. A: Jullie kozen alle drie hetzelfde. B: Jullie koos alle drie hetzelfde.