Les 2 van 6 · Verleden en voltooide tijd

Sterke werkwoorden in de verleden tijd

Klinkerverandering herkennen en juist spellen.

De klinker verandert

Bij sterke werkwoorden hoor je in de verleden tijd een andere klinker dan in de tegenwoordige tijd: lopen → liep, zwemmen → zwom, geven → gaf, schrijven → schreef. Er is geen vast recept voor wélke klank het wordt — die vorm moet je eigenlijk gewoon kennen, vaak uit ervaring met lezen en luisteren.

De persoonsvorm van sterke werkwoorden

Heb je de juiste klank eenmaal te pakken, dan is de spelling van de persoonsvorm zelf verrassend eenvoudig:

  1. Bepaal eerst de juiste klank voor de verleden tijd (bijvoorbeeld liep, at, vond).
  2. Bij ik, jij, u, hij, zij, het: gebruik die vorm zonder extra uitgang.
  3. Bij wij, jullie, zij (meervoud): voeg er een -en achter toe.

Voorbeeld met lopen (verleden tijd: liep):

verleden tijd van ‘lopen’
onderwerppersoonsvorm
ikliep
jij / uliep
hij / zij / hetliep
wij / jullie / zijliepen

Nog een voorbeeld met schrijven (verleden tijd: schreef):

verleden tijd van ‘schrijven’
onderwerppersoonsvorm
ikschreef
jij / uschreef
hij / zij / hetschreef
wij / jullie / zijschreven

Zelf de klank bepalen

Twijfel je over de juiste klank? Luister goed naar hoe de zin klinkt, of zoek het werkwoord op in een woordenlijst. Achterin veel taalmethodes en op internet vind je overzichten van sterke werkwoorden met hun verleden tijd en voltooid deelwoord — die kun je gebruiken als naslagwerk.

Zet om naar de verleden tijd

Opdracht 1

Vul de juiste verleden tijd van het sterke werkwoord tussen haakjes in.

1. Gisteren (lopen) hij een hele marathon.

2. Wij (zingen) het hele nummer uit volle borst mee.

3. Ik (vinden) mijn portemonnee terug op straat.

4. Zij (drinken) haar thee helemaal op.

5. Jullie (kiezen) alle drie voor dezelfde film.

6. Hij (breken) per ongeluk zijn pols.

7. Wij (rijden) urenlang door de bergen.

Hoe zeker voel je je over dit onderdeel?

Welke spelling is goed?

Opdracht 2

Kies de juist gespelde vorm.

1. A: Wij zongt het hele lied mee.   B: Wij zongen het hele lied mee.

2. A: Hij vond zijn jas terug.   B: Hij vondt zijn jas terug.

3. A: Zij schreef een gedicht.   B: Zij schreven een gedicht.

4. A: Jullie kozen alle drie hetzelfde.   B: Jullie koos alle drie hetzelfde.

Hoe zeker voel je je over dit onderdeel?