Als het hele werkwoord eindigt op -ven of -zen
Zoals je in de vorige les zag: werkwoorden die eindigen op -ven of -zen hebben een ik-vorm die eindigt op -f of -s. Een ik-vorm eindigt namelijk nooit op -v of -z.
| heel werkwoord | ik-vorm |
|---|---|
| beven | beef |
| reizen | reis |
Zodra je de ik-vorm eenmaal weet, gebruik je gewoon het normale persoonsvormschema: jij beeft, hij beeft; jij reist, hij reist.
Als de ik-vorm eindigt op -t
Eindigt de ik-vorm van een werkwoord toevallig al op de letter -t, zoals bij praten (ik-vorm: praat)? Dan pas je het schema een klein beetje aan: een persoonsvorm eindigt namelijk nooit op -tt.
praten → ik praat, jij praat, hij praat (niet: hij praatt)
wachten → ik wacht, jij wacht, zij wacht
Als de ik-vorm eindigt op -d
Eindigt de ik-vorm op de letter -d, zoals bij landen (ik-vorm: land)? Dan krijg je bij jij (ervoor), hij, zij, het een persoonsvorm die eindigt op -dt.
landen → ik land, jij landt, hij landt
verbinden → ik verbind, jij verbindt, zij verbindt
‘-dt’ ziet er misschien vreemd uit, maar het klopt gewoon met de hoofdregel: ik-vorm (land) + t = landt. Eigenlijk niets bijzonders dus!
Werkwoorden die eindigen op -aan
Bij gaan, slaan, staan bestaat de ik-vorm maar uit één a: ga, sla, sta. Volgens de hoofdregel zou je dan verwachten: ik-vorm + t = gat. Maar dat is fout.
Juist is: jij gaat — met twee a's. Dit is een uitzondering die je het beste gewoon onthoudt:
gaan → ik ga, jij gaat, hij gaat
slaan → ik sla, jij slaat, zij slaat
staan → ik sta, jij staat, het staat
Schrijf de juiste persoonsvorm
Opdracht 1Vul de juiste vorm van het werkwoord tussen haakjes in voor het onderwerp hij/zij.
1. Hij (schuiven) de deur open.
2. Zij (bewijzen) dat ze gelijk heeft.
3. Hij (praten) nooit tijdens de les.
4. Zij (redden) altijd op tijd de trein.
5. Het vliegtuig (landen) precies op tijd.
6. Hij (slaan) de spijker in één keer recht.
7. Zij (staan) al een uur in de rij.
8. Hij (vechten) voor zijn plekje in het team.
Welke spelling is goed?
Opdracht 2Kies de juist gespelde vorm.
1. A: Hij verbind de kabels. B: Hij verbindt de kabels.
2. A: Zij gaat elke dag hardlopen. B: Zij gat elke dag hardlopen.
3. A: Hij praatt te snel. B: Hij praat te snel.
4. A: Zij verliest steeds haar sleutels. B: Zij verliezt steeds haar sleutels.
5. A: Het weer verbeterd morgen. B: Het weer verbetert morgen.