Les 7 van 9 · Tegenwoordige tijd

Je of jij?

Waarom ‘je’ soms wel en soms geen extra -t geeft.

Je = jij of je = jouw?

Het woordje je kan twee dingen betekenen: het kan een kortere vorm van jij zijn (onderwerp) of van jouw (bezit). Alleen als ‘je’ het onderwerp van de zin is, is het van invloed op de spelling van de persoonsvorm.

Je loopt hard. (= jij loopt hard — je is hier onderwerp)
Je fiets staat buiten. (= jouw fiets — hier is ‘je fiets’ het onderwerp, niet ‘je’)

Geen extra -t als jij/je achteraan komt

Dit is precies de rij ‘ik / …jij?’ uit het persoonsvormschema van de vorige les: wanneer jij of je ná de persoonsvorm komt te staan (dat gebeurt bijvoorbeeld in vragen), schrijf je de ik-vorm — dus zonder de -t aan het eind.

Onthoud

Staat jij/je vóór de persoonsvorm? Gewoon ik-vorm + t.
Staat jij/je ná de persoonsvorm? Dan schrijf je de ik-vorm, zonder -t.

Jij loopt hard. (jij vóór de persoonsvorm → gewoon ik-vorm + t)
Loop jij hard? (jij ná de persoonsvorm → de ik-vorm, geen extra -t)
Waarom loop je zo hard? (je ná de persoonsvorm → de ik-vorm, geen extra -t)

Deze regel geldt alleen bij ‘jij’ of ‘je’ als onderwerp. Bij ‘u’ verandert er niets: Loopt u mee? blijft gewoon met -t.

Met of zonder -t?

Opdracht 1

Kies de juist gespelde zin.

1. A: Kom je morgen ook?   B: Komt je morgen ook?

2. A: Jij fietst wel erg hard.   B: Jij fiets wel erg hard.

3. A: Waarom lach je zo hard?   B: Waarom lacht je zo hard?

4. A: Speel jij morgen mee?   B: Speelt jij morgen mee?

5. A: Je maakt veel te veel lawaai.   B: Je maak veel te veel lawaai.

Hoe zeker voel je je over dit onderdeel?

Vul de juiste vorm in

Opdracht 2

Vul steeds de juiste vorm van het werkwoord tussen haakjes in.

1. (lopen) je mee naar de kantine?

2. Jij (lopen) elke ochtend hetzelfde rondje.

3. Waarom (huilen) je nou ineens?

4. (blijven) jij vannacht logeren?

5. Je (vergeten) steeds je gymtas.

Hoe zeker voel je je over dit onderdeel?