Les 4 van 6 · Bijvoeglijk gebruikt deelwoord

Spellingregel 2: -e of -en

Wanneer een bijvoeglijk gebruikt VD op -e eindigt, en wanneer op -en.

Spellingregel 2

Als een voltooid deelwoord op -en eindigt, schrijf je het bijvoeglijk gebruikt ook met -en.

Voorbeeld: het VD van wassen is gewassen → het gewassen haar.

Als een voltooid deelwoord niet op -en eindigt (dus op -t of -d), schrijf je het bijvoeglijk gebruikt met -e.

Voorbeeld: het VD van knippen is geknipt → het geknipte haar.

Aparte situatie

Let op

Als het lidwoord het vervangen wordt door het lidwoord een, schrijf je alleen het VD — dus zonder -e of -en. Voorbeeld: het gedoofde kaarsje → een gedoofd kaarsje.

Vul het bijvoeglijk gebruikte VD in

Opdracht 1

Vul het bijvoeglijk gebruikte VD in.

1. omgewaaid → de bomen

2. gemorst → de yoghurt

3. gedrukt → de tekst

4. opgegraven → het potje

5. opgevoerd → een toneelstukje

6. gevonden → de voorwerpen

7. gelanceerd → de raket

8. uitgebreid → een verzameling

Hoe zeker voel je je over dit onderdeel?

Van werkwoord naar bijvoeglijk gebruikt VD

Opdracht 2

Vul steeds het bijvoeglijk gebruikte VD in.

1. schrijven → de brief

2. schoonmaken → het toilet

3. ontwerpen → de jurk

4. missen → het doelpunt

5. breken → het glas

6. aaien → de pony

7. verstoppen → het riool

8. graven → de kuil

9. verven → de stal

Hoe zeker voel je je over dit onderdeel?