Spellingregel 2
Als een voltooid deelwoord op -en eindigt, schrijf je het bijvoeglijk gebruikt ook met -en.
Voorbeeld: het VD van wassen is gewassen → het gewassen haar.
Als een voltooid deelwoord niet op -en eindigt (dus op -t of -d), schrijf je het bijvoeglijk gebruikt met -e.
Voorbeeld: het VD van knippen is geknipt → het geknipte haar.
Aparte situatie
Als het lidwoord het vervangen wordt door het lidwoord een, schrijf je alleen het VD — dus zonder -e of -en. Voorbeeld: het gedoofde kaarsje → een gedoofd kaarsje.
Vul het bijvoeglijk gebruikte VD in
Opdracht 1Vul het bijvoeglijk gebruikte VD in.
1. omgewaaid → de bomen
2. gemorst → de yoghurt
3. gedrukt → de tekst
4. opgegraven → het potje
5. opgevoerd → een toneelstukje
6. gevonden → de voorwerpen
7. gelanceerd → de raket
8. uitgebreid → een verzameling
Van werkwoord naar bijvoeglijk gebruikt VD
Opdracht 2Vul steeds het bijvoeglijk gebruikte VD in.
1. schrijven → de brief
2. schoonmaken → het toilet
3. ontwerpen → de jurk
4. missen → het doelpunt
5. breken → het glas
6. aaien → de pony
7. verstoppen → het riool
8. graven → de kuil
9. verven → de stal