Les 1 van 6 · Bijvoeglijk gebruikt deelwoord

Bijvoeglijk naamwoord

Wat een bijvoeglijk naamwoord is, en welke belangrijk zijn voor dit onderwerp.

Woordbenoemen

Bij woordbenoemen geef je elk woord in een zin een naam. Twee daarvan ken je vast al:

  • zelfstandig naamwoord: een mens, dier of ding (bijvoorbeeld fiets, hond, Sanne).
  • bijvoeglijk naamwoord: een woord dat iets zegt over het zelfstandig naamwoord (bijvoorbeeld snel, bruin, aardig).

Voorbeeld: De fiets is snel. versus de snelle fiets. Fiets is hier het zelfstandig naamwoord, snel/snelle het bijvoeglijk naamwoord.

Vóór het zelfstandig naamwoord

Een bijvoeglijk naamwoord kan op twee plekken in een zin staan: los, achter een werkwoord als zijn of worden (de fiets is snel), of direct vóór het zelfstandig naamwoord (de snelle fiets).

Onthoud

Bijvoeglijke naamwoorden die direct vóór een zelfstandig naamwoord staan, zijn belangrijk voor deze lessenreeks.

Waarom dit belangrijk is voor deze lessenreeks

In deze lessenreeks leer je hoe je een voltooid deelwoord (zoals gekapt) en een onvoltooid deelwoord (zoals dansend) kunt gebruiken als bijvoeglijk naamwoord vóór een zelfstandig naamwoord: de gekapte bomen, het dansende meisje. Daar gelden eigen spellingregels voor, die je in de volgende lessen leert.

Klik op het bijvoeglijk naamwoord

Opdracht 1

Klik in elke zin op het bijvoeglijk naamwoord dat vóór een zelfstandig naamwoord staat.

1.Magikhetgrootstestuktaart?

2.Ikzitgraagopeenzachtekussen.

3.Datisvasteenduurhorloge.

4.Pasopvoordegladdestoep.

5.Dierodeautorijdthard.

6.Ikhouvanzonnigedagen.

Hoe zeker voel je je over dit onderdeel?