Wat is een werkwoord?
Een werkwoord is een woord dat vertelt wat iemand doet, wat iemand of iets is, of wat er gebeurt. Kijk maar naar deze drie soorten:
- Iemand doet iets: ik fiets naar school, de kat sluipt door de tuin, wij lachen om de grap.
- Iemand of iets is iets: zij is aanvoerder, jullie worden steeds beter, ik blijf rustig.
- Er gebeurt iets: het vriest, de bel gaat, de wedstrijd begint.
Let op: in één zin kunnen best meerdere werkwoorden voorkomen. Bijvoorbeeld: Ik heb hem zien vallen. Daarin staan heb, zien en vallen alle drie.
De vervoeg-proef
Sommige woorden lijken op een werkwoord, maar zijn het niet. Hoe weet je het zeker? Met de vervoeg-proef: een echt werkwoord kun je van vorm laten veranderen, afhankelijk van wie iets doet en wanneer.
Neem het woord surfen: ik surf, jij surft, wij surfden, ik heb gesurft. Het woord verandert steeds mee — dus surfen is een werkwoord.
Neem nu het woord surfplank: je kunt niet zeggen ‘ik surfplank’ of ‘wij surfplankten’. Het woord verandert niet mee — dus surfplank is geen werkwoord, ook al zit ‘surf’ erin verstopt.
Een werkwoord verandert mee met de persoon (ik/jij/hij/wij) en met de tijd (nu of vroeger). Een woord dat dat niet kan, is geen werkwoord — ook al lijkt het erop.
Werkwoorden vinden in een zin
Ga bij het zoeken naar werkwoorden in een hele zin word voor word na: kun je dit woord vervoegen (ik ..., jij ..., wij hebben ge...)? Zo ja, dan is het een werkwoord. Vergeet niet dat een zin best twee of drie werkwoorden kan bevatten.
Werkwoord of geen werkwoord?
Opdracht 1Bij elke zin staat één woord vetgedrukt. Bepaal of dat woord een werkwoord is.
1. In de zomervakantie zwemmen we bijna elke dag.
2. Robin scoort een prachtig doelpunt.
3. De trein vertraagt vlak voor het station.
4. Wij denken dat het goed komt.
5. Die gitaar klinkt heel bijzonder.
6. Let op voor die losliggende tegel.
7. De aarde draait om haar as.
8. Het onweert al de hele middag.
9. Jij bent de slimste van de klas.
10. Twijfel je nog over je antwoord?
Onderstreep de werkwoorden
Opdracht 2Klik op alle werkwoorden in de zin. Let op: sommige zinnen bevatten er meer dan één.
1.Mogenwevanmiddagbuitenspelen?
2.Dewolkenpakkenzichdonkersamen.
3.Ikhebdiefilmaldriekeergezien.
4.Langsdeslootbloeiengelelisdodden.
5.Zegaateenverhaalovervossenschrijven.
6.Hebjehetnieuwsalgehoord?