Les 3 van 9 · Tegenwoordige tijd

Onderwerp, enkelvoud en meervoud

Zoek het onderwerp op en bepaal enkelvoud of meervoud.

Het onderwerp vinden

Het onderwerp van een zin is degene (of datgene) die de handeling van de persoonsvorm uitvoert. Je vindt het onderwerp door een wie/wat-vraag te stellen mét de persoonsvorm erin.

  1. Zoek eerst de persoonsvorm van de zin.
  2. Stel de vraag: ‘Wie of wat + persoonsvorm... ?’
  3. Het antwoord op die vraag is het onderwerp.

Voorbeeld: Mijn buurjongen repareert al jaren fietsen. Persoonsvorm: repareert. Vraag: Wie repareert al jaren fietsen? Antwoord: mijn buurjongen — dat is het onderwerp.

Enkelvoud en meervoud

Voor de spelling van de persoonsvorm maakt het uit of het onderwerp enkelvoud (één) of meervoud (meer dan één) is:

  • Enkelvoud: ik, jij/je, u, hij, zij/ze, het, of een naam/ding in het enkelvoud (de hond, mijn vader, dat huis).
  • Meervoud: wij/we, jullie, zij/ze (meervoud), of meerdere namen/dingen (de honden, mijn ouders, die huizen).

Het onderwerp vervangen door één woord

Bij een lang onderwerp is het soms lastig te zien of het enkelvoud of meervoud is. Een handige truc: vervang het hele onderwerp door hij/zij/het (enkelvoud) of zij (meervoud).

Voorbeeld: De kinderen uit groep 8 organiseren een sponsorloop. Vervang ‘de kinderen uit groep 8’ door ‘zij’: Zij organiseren een sponsorloop. Dat klinkt goed, dus het onderwerp is meervoud.

Zoek het onderwerp

Opdracht 1

Typ het onderwerp van de zin in het invulvak.

1. Mijn oma bakt elke zaterdag appeltaart. Onderwerp:

2. Door de harde wind waaien de bladeren van de bomen. Onderwerp:

3. Aan het einde van de straat staat een oude molen. Onderwerp:

4. Na de zomer verhuizen wij naar een ander dorp. Onderwerp:

5. Vanavond speelt het schoolorkest in de aula. Onderwerp:

Hoe zeker voel je je over dit onderdeel?

Enkelvoud of meervoud?

Opdracht 2

Bekijk het onderstreepte onderwerp en bepaal of het enkelvoud of meervoud is.

1. De leerlingen van klas 2B bezoeken vrijdag het museum.

2. Het team van de buren wint bijna elke wedstrijd.

3. Jij en je broer lijken erg op elkaar.

4. De directeur van de school opent het nieuwe schooljaar.

5. Al mijn vrienden komen zaterdag naar mijn feestje.

Hoe zeker voel je je over dit onderdeel?