Het hele werkwoord
Het hele werkwoord is de vorm die je in het woordenboek terugvindt: de woordenboekvorm. Je herkent het doordat je er moeiteloos ik kan ... of het kan ... voor kunt zetten: ik kan lachen, ik kan zwemmen, het kan regenen, het kan hagelen. Hele werkwoorden eindigen bijna altijd op -en.
De stam
Haal je van het hele werkwoord de -en af, dan houd je de stam over:
| heel werkwoord | stam |
|---|---|
| lachen | lach |
| zingen | zing |
| knutselen | knutsel |
| slapen | slap |
| rennen | renn |
Bij lachen, zingen en knutselen is de stam meteen een gewoon woord. Maar kijk goed naar slapen en rennen: daar levert het weghalen van ‘-en’ een vorm op die er ongewoon uitziet (slap, renn). Dat is niet erg — de stam is een tussenstap, geen doel op zich.
De ik-vorm
Je zegt niet ‘ik slapen’. Je zegt ‘ik slaap’. Slaap is de ik-vorm: de vorm die je echt gebruikt en opschrijft als het onderwerp ‘ik’ is.
Vaak is de ik-vorm precies gelijk aan de stam: ik lach, ik zing, ik knutsel. Maar niet altijd:
- Bij slapen is de stam slap, maar de ik-vorm is slaap (met dubbele a, want de klank is lang).
- Bij rennen is de stam renn, maar de ik-vorm is ren (met maar één n).
- Bij leven is de stam lev, maar de ik-vorm is leef: een ik-vorm eindigt namelijk nooit op -v of -z — die worden -f en -s.
De stam en de ik-vorm kunnen van elkaar verschillen. Een ik-vorm eindigt nooit op -v of -z, en ook nooit op een dubbele medeklinker.
Verderop, bij het persoonsvormschema, bouw je steeds verder op de ik-vorm — niet op de kale stam. Daarom is het zo belangrijk om beide vormen goed uit elkaar te kunnen halen.
Twijfel je over de ik-vorm? Zeg het werkwoord hardop met ‘ik’ ervoor. Wat je dan hoort, is meestal ook precies wat je opschrijft.
Van hele werkwoord naar stam
Opdracht 1Schrijf de stam van het hele werkwoord op: haal alleen de -en weg, meer niet.
1. lachen →
2. wandelen →
3. rennen →
4. dromen →
5. praten →
6. leven →
7. zwemmen →
8. verliezen →
Van hele werkwoord naar ik-vorm
Opdracht 2Schrijf nu de ik-vorm van hetzelfde werkwoord op: de vorm die je echt gebruikt bij ‘ik ...’.
1. lachen — ik
2. wandelen — ik
3. rennen — ik
4. dromen — ik
5. praten — ik
6. leven — ik
7. zwemmen — ik
8. verliezen — ik
Bij verliezen eindigt de stam op de letter z, terwijl de ik-vorm (verlies) eindigt op de letter s. Dat is geen toeval: zo werkt het altijd bij werkwoorden op -ven en -zen. Je leert hier in de volgende les meer over.