Het voltooid deelwoord herkennen
Het voltooid deelwoord gebruik je samen met een hulpwerkwoord om te zeggen dat iets al klaar of afgerond is: ik heb gefietst, zij is vertrokken, het is opgelost.
De persoonsvorm als hulpwerkwoord
In een zin met een voltooid deelwoord is de persoonsvorm bijna altijd een vorm van hebben, zijn of worden. Die persoonsvorm noemen we hier het hulpwerkwoord; het voltooid deelwoord zelf staat vaak achteraan in de zin.
Ik heb gisteren de hele middag gefietst. (hulpwerkwoord: heb, voltooid deelwoord: gefietst)
Zij is gisteren naar Rotterdam verhuisd.
Het voltooid deelwoord juist schrijven
Bij zwakke werkwoorden bouw je het voltooid deelwoord op met ge... + ik-vorm + t of ge... + ik-vorm + d. Je hoeft de ’t kofschip-regel hiervoor niet opnieuw toe te passen: je hebt het antwoord al uit de vorige lessen.
Kijk gewoon naar de verleden tijd die je al hebt bepaald. Kreeg de persoonsvorm in de VT een -te? Dan eindigt het voltooid deelwoord ook op -t. Kreeg de persoonsvorm een -de? Dan eindigt het VD ook op -d.
fietsen → verleden tijd fietste (met -te) → voltooid deelwoord op -t: gefietst
huren → verleden tijd huurde (met -de) → voltooid deelwoord op -d: gehuurd
geloven → verleden tijd geloofde (met -de) → voltooid deelwoord op -d: geloofd
Begint het werkwoord al met be-, ge-, er-, her-, ont- of ver-? Dan komt er geen extra ge- vooraan: beloven → beloofd (niet gebeloofd), ontdekken → ontdekt (niet geontdekt).
Sterke en onregelmatige deelwoorden
Sterke en onregelmatige werkwoorden volgen deze regel niet: hun voltooid deelwoord eindigt meestal op -en en heeft vaak weer een eigen klank, bijvoorbeeld gelopen, gegeten, geschreven, gezien. Die vormen leer je het beste uit je hoofd — in de volgende les vind je een handig overzicht.
Schrijf het voltooid deelwoord
Opdracht 1Vul het voltooid deelwoord van het werkwoord tussen haakjes in. Denk aan het hulpwerkwoord dat er al staat.
1. Ik heb de hele middag (fietsen).
2. Wij hebben een huisje (huren) voor de vakantie.
3. Zij heeft me gisteren (bellen).
4. Hij heeft zijn moeder (missen) tijdens de reis.
5. Ik heb er nooit meer aan (geloven).
6. Ik heb dat probleem al (ontdekken).
7. Zij heeft een lang stuk (schrijven) — maar let op: dit is een sterk werkwoord!
8. Wij hebben de tafel (dekken) voor het avondeten.
Welke spelling is goed?
Opdracht 2Kies het juist gespelde voltooid deelwoord.
1. Ik heb dat boek al eens A: gelezen B: geleest.
2. Wij hebben de auto A: gewast B: gewassen.
3. Zij heeft haar excuses A: aangeboden B: aangebood.
4. Ik heb de planten elke dag A: gewaterd B: gewaterdt.