Over deze oefentoets
Kun je zwak van sterk onderscheiden, de ’t kofschip-regel toepassen, en ook de onregelmatige werkwoorden goed spellen — allemaal zonder dat erbij staat welke regel je nodig hebt? Dat test je hier.
Twijfel je bij een item? Ga terug naar de bijbehorende les via het menu bovenaan de pagina en lees de uitleg nog eens rustig terug.
Gemengde verleden tijd
Opdracht 1Vul de juiste verleden tijd (ik-vorm) van het werkwoord tussen haakjes in.
1. Ik (fietsen) gisteren extra hard door de regen.
2. Ik (lopen) vorige week de hele Zeeuwse kust af.
3. Ik (praten) gisteren een uur met mijn buurman.
4. Ik (melden) me meteen ziek.
5. Ik (zijn) vorig jaar nog op een andere school.
6. Ik (huren) een fiets voor de hele week.
7. Ik (zien) gisteren een prachtige regenboog.
Welke zin is goed gespeld?
Opdracht 2Kies steeds de juist gespelde zin.
1. A: Wij hebben de hele dag gezwommen. B: Wij hebben de hele dag gezwemd.
2. A: Hij meldde zich netjes af. B: Hij melde zich netjes af.
3. A: Ik heb dat boek al gelezen. B: Ik heb dat boek al gelezt.
4. A: Zij praate de hele pauze met haar vriendin. B: Zij praatte de hele pauze met haar vriendin.
5. A: Wij hebben een huisje gehuurd. B: Wij hebben een huisje gehuurt.
Zwak of sterk?
Opdracht 3Bepaal of het vetgedrukte werkwoord zwak of sterk is.
1. Ik hoorde gisteren een grappig verhaal.
2. Ik hielp mijn vader met de klus.
3. Ik speelde een potje schaak met mijn opa.
4. Ik viel van mijn fiets af.