Over deze oefentoets
In de losse lessen oefen je steeds één regel tegelijk. In het echt — en op een toets — lopen alle regels door elkaar. Deze oefentoets test of je de regels ook herkent en toepast zonder dat erbij staat welke het is, precies zoals bij een echte proefwerk of Cito-toets.
Twijfel je bij een item? Ga terug naar de bijbehorende les via het menu bovenaan de pagina en lees de uitleg nog eens rustig terug.
Gemengde persoonsvormen
Opdracht 1Vul steeds de juiste persoonsvorm van het werkwoord tussen haakjes in.
1. Hij (fietsen) elke dag naar zijn werk.
2. (komen) jij morgen ook naar het feest?
3. Zij (verliezen) nooit haar geduld.
4. Wij (hebben) vandaag geen huiswerk.
5. De trein (vertrekken) om acht uur precies.
6. Het ijs (smelten) snel in de zon.
7. (opstaan) je al vroeg in het weekend?
8. Zij (meervoud) (gaan) morgen naar de kermis.
9. Ik (geloven) er helemaal niets van.
10. Hij (landen) precies op tijd.
Welke zin is goed gespeld?
Opdracht 2Kies steeds de juist gespelde zin.
1. A: Loopt niet zo hard door de gang! B: Loop niet zo hard door de gang!
2. A: Waarom huil je zo? B: Waarom huilt je zo?
3. A: Mijn ouders reist morgen af. B: Mijn ouders reizen morgen af.
4. A: Hij is heel erg blij. B: Hij bent heel erg blij.
5. A: Wij zwemt in de zee. B: Wij zwemmen in de zee.
6. A: Zij verbindt de twee kabels. B: Zij verbind de twee kabels.
Klik op alle werkwoorden
Opdracht 3Klik in elke zin op alle werkwoorden — dat kunnen er één, twee of drie zijn.
1.Ikhebdeauto'szienbotsen.
2.Magikjeietsvragen?
3.Dezonschijntdeheledag.
4.Zewilvolgendjaargaanreizen.